RECENSIE: Weill – Die Dreigroschenoper

© Lesley Leslie-Spinks

Dreigroschen-koorts in Amsterdam

‘Die Dreigroschenoper’ van Kurt Weill wordt door het Berliner Ensemble gespeeld in Het Muziektheater te Amsterdam. Het gezelschap brengt het werk met groot gevoel, plezier en ironie in een enscenering van Robert Wilson gekenmerkt door fraaie belichting, goede contrastwisselingen en gedetailleerde gebaren.

????????????????????

De opera ‘Die Dreigroschenoper’ van Kurt Weill (1900 – 1950) is gebaseerd op de opera ‘The Beggar’s Opera’ van John Gay uit 1728. Het libretto werd vertaald door Elisabeth Hauptmann en bewerkt door Bertolt Brecht. Het werk is een versmelting van verschillende elementen en het hoogtepunt van de Berlijnse kunst van de jaren twintig. De wereldpremière in 1928 was een groot succes en alleen te vergelijken met die van Lehárs ‘Die lustige Witwe’. Berlijn was na de première in een Dreigroschen-koorts. Op straat werden de melodieën gefloten en er kwam zelfs een Dreigroschenbar. Binnen vijf jaar werd de opera in 18 talen 10.000 maal opgevoerd. Door de Nazi’s werd het werk echter verboden en Kurt Gerron, de Moritatensänger én politiechef Brown van de wereldpremière, werd in 1944 door de Nazi’s in Auschwitz vermoord. Na de Tweede Wereldoorlog maakte Brecht meerdere versies van ‘Die Dreigroschenoper’, maar het werk is als epische opera nooit een model geworden en heeft nooit met succes navolging gehad.

????????????????????

Het Berliner Ensemble (BE), in 1949 gesticht door Bertolt Brecht en één van zijn vrouwen in Oost-Berlijn, speelt sinds 2007 een nieuwe enscenering van ‘Die Dreigroschenoper’ in een aantal grote steden, waaronder eerder dit jaar in Tel Aviv en Berlijn. In Amsterdam verzorgen zij een viertal opvoeringen in Het Muziektheater als onderdeel van de Gastprogrammering. Regisseur is Robert Wilson (1941; Texas), die in 1998 al Brechts ‘Der Ozeanflug’ met BE deed. Het decor is een minimalistische setting, waarbij het licht een belangrijke rol speelt. Wilsons typische belichting met schijnwerpers, lichtdouches en silhouetten zijn in de geest van Brecht en geven goede contrastwisselingen en een mooi kleurenspel. Zijn gedetailleerde pantomime en gebarentaal werken hier goed wanneer spraak en beweging samenvallen en geven extra dimensie aan Brechts ironie. De toeschouwer wordt heen en weer geslingerd tussen verschillende perspectieven en gestopt bij bepaalde voetnoten. Vaak komen de zangers voor het doek zingen om de handeling te verlaten. De liederen trekken zo de aandacht als een soort intermediair en interpreteren de tekst.

????????????????????

De leden van BE zingen en spelen dromend met groot gevoel en plezier en toch is onderhuids de parodie voelbaar. Stefan Kurt is voortreffelijk als een androgyne Macheath. Aan het begin is hij even ook Moritatensänger, maar die taak wordt al snel overgenomen door een voice-over. Macheaths schitterende monoloog in de derde akte wordt door Kurt ongelooflijk goed en snel gebracht. Christina Drechsler als Polly geeft fraaie voorbeelden van “Sprechgesang”, zoals in de typisch Brechtse “Barbara-Song” in de eerste akte. De “Seeräuberträume” wordt zoals in het origineel door haar in de eerste akte gezongen en niet zoals later traditie werd door Jenny in de tweede. Polly’s uitvoering krijgt hierdoor echt een wraakbetekenis in plaats van de romantische Jenny-vertolking. Polly’s viswijfduet met de Lucy van Gippe Reppin is een grote komische noot. Het karikaturale echtpaar Peachum wordt briljant neergezet door Jürgen Holtz en Traute Hoess. Holtz is werkelijk ijzersterk met name in de finale van de eerste akte met het “Verfremdung” effect. De kostelijk spelende Hoess zou haar eerste twee stukken een octaaf lager mogen zingen. Jenny wordt indringend apathisch gespeeld door Angela Winkler. Toch horen we het refrein van haar bekende “Salomon-Song” liever gezongen in plaats van gedeclameerd. Veterane Ruth Glöss, die vele jaren aan de Volksbühne am Rosa-Luxemburg-Platz speelde, doet mee als de oude prostitué. Het uitstekende Dreigroschen Orchester van BE bestaande uit zo’n acht spelers en ruim twintig instrumenten vullen door jazzinstrumenten en valse harmonieën Kurt Weills mengsel van operaparodie, barokke elementen, balladen en ritmische dansen.

Ook nu nog is ‘Die Dreigroschenoper’ ongekend populair getuige het feit dat de opera dit jaar in zo’n 50 steden ter wereld speelt. Desondanks wordt het werk zelden in Nederland opgevoerd. De vier voorstellingen van BE in Het Muziektheater zijn dan ook allemaal uitverkocht.

Diverse Recensies, Home