RECENSIE: Wagner – Tristan und Isolde

© Marco Borggreve

Nieuwe Reisopera start met verzorgde ‘Tristan und Isolde’

De Nationale Reisopera start haar nieuwe seizoen én een nieuwe episode in haar bestaan, waarin het gezelschap het met minder subsidie moet doen. Zij opent met een referentie naar de oude Reisopera, namelijk met de opera ‘Tristan und Isolde’ (München, 1865) van Richard Wagner (1813-1883). Het gezelschap lijkt daarmee te zeggen: “Met Wagner sluiten wij het verleden af en we gaan vol goede moed verder”.

‘Tristan und Isolde’ wordt door de Nationale Reisopera (NR) opgevoerd in de Münchner versie van 1880. Voor die versie had Wagner twee fragmenten geschrapt uit de wereldpremière van 1865. Wagner experimenteerde zelf al met coupures in ‘Tristan und Isolde’ en vijf coupures zijn door hem doorgevoerd of vonden zijn goedkeuring. Twee daarvan verklaarde hij – naar getuigenis van de dirigent Hermann Levi – voor definitief. Dat is de coupure van de “Tag und Nacht”-scène in de tweede akte, die hij maakte voor de repetities in Wenen van 1861 tot 1863, de opvoering in Berlijn van 1876 en de opvoering in München van 1880. En een klein fragment in Tristans Erwachen in de derde akte van “Isolde noch im Reich der Sonne” tot “Ach Isolde süsse Holde”, die hij eveneens voor de opvoering in München van 1880 schrapte.

De Duitser Guido Petzold ontwierp voor NR het decor. Dit bestaat voor alle akten uit twee vierkante vlakken, die in een hoek met elkaar verbonden zijn. In de eerste akte is alles zwart en in de laatste twee akten komt daar enige kleur bij door de kostuums en de sobere belichting, overigens ook van het ontwerp van Petzold zelf. Het is allemaal sfeervol en soms zelfs beklemmend. De personenregie van de Duitser Jakob Peters-Messer is decoratief. Het staan en zingen heeft als voordeel dat de concentratie op de muziek ligt.

De Oostenrijkse tenor Robert Kürzli maakt in deze productie zo te horen zijn roldebuut als Tristan. Hij heeft niet echt een Heldengeluid, maar heeft meer het timbre voor een rol als Mime. Toch is Kürzli als ensemblelid in Hannover te horen in de Wagner-rollen van Tannhäuser, Stolzing, Erik en de Siegfrieds. En ook de bijna complete partij van Tristan in de derde akte – er is slechts de kleine, voorgenoemde coupure – zingt hij onvermoeibaar en dat is prijzenswaardig. De Zwitserse sopraan Claudia Iten was als Isolde al te horen in Aken, Neurenberg en Moskou. Zij zingt de partij met een dun borst- en middenregister, geschikt voor Mozart. In de hoogte stoot zij breed uit en hopelijk gaat dit niet ten koste van de glans van de stem. De Duitse bas Yorck Felix Speer is de ster van de avond en krijgt het grootste applaus. Zijn zwarte bas met een grote, open hoogte is ideaal voor Koning Marke. Heerlijk ook om Markes Klage integraal te horen. Een talent kondigt zich aan in de verschijning van de tenor Andrew Rees, die als Melot Heldenpotentiaal laat horen. Hij zingt inmiddels al Siegmund en Froh, dus een zanger om in de gaten te houden.

De Nederlandse dirigent Antony Hermus leidde al vaak Wagneropera’s. Zo dirigeerde hij ‘Der fliegende Holländer’, ‘Tannhäuser’, ‘Lohengrin’, ‘Siegfried’ en ‘Götterdämmerung’. Hij laat het Noord Nederlands Orkest (NNO) prachtig verzorgd spelen en creëert uitbundige klankgolven en fraaie, muzikale bogen. Het orkest klinkt vol, maar niet zwaar. Niettemin mogen Hermus en het NNO minder bescheiden zijn, vooral in de voor de zangers gunstige akoestiek van het Wilminktheater.

De vraag laat zich stellen of Wagner past in het nieuwe profiel, dat NR voor ogen heeft. Met Wagner zal NR namelijk – hoe goed ook – altijd het tweede zusje blijven van De Nederlandse Opera (DNO). Net als de Opera van Luik, zou NR kunnen zoeken naar een alternatief voor het repertoire van DNO. De keuze voor het Italiaanse repertoire ligt dan voor de hand en het belcanto – dat door DNO en de Zaterdag Matinee wordt verwaarloosd – zou een schitterende bron zijn. En voor dat repertoire zijn zeer veel liefhebbers te vinden onder de bezoekers in operaland Nederland.

De Nederlandse Reisopera, Home