INTERVIEW

Marco Bakker

“Als je veelzijdig bent, moet je je blijven bewijzen”

Marco Bakker heeft een indrukwekkende carrière opgebouwd als opera-, operette-, oratorium-, musical- en concertzanger. Op 8 februari 2013 wordt de Nederlandse bariton 75 jaar en hij denkt nog lang niet aan stoppen. Opera Nederland sprak hem thuis in zijn woon- en geboorteplaats Beverwijk.

Marco Bakker werd op 8 februari 1938 als Jacob Marinus Bakker te Beverwijk geboren. Hij zat op de kweekschool met het idee om onderwijzer te worden toen iemand zijn stem hoorde en hem aanraadde zanglessen te nemen bij Coby Riemersma, de lerares van onder anderen Cristina Deutekom en Jennie Veeninga. “Ik betaalde die privé-lessen door klusjes voor Coby Riemersma in haar tuin te doen. Ik heb voor haar zelfs nog een tuinhuisje gebouwd,” lacht Bakker. Vervolgens trad de jonge zanger toe tot het Amsterdams Conservatorium zonder theoretische muziekkennis. “In twee maanden heb ik toen mijn vooropleiding gedaan met behulp van Wim Witteman, de broer van Paul Witteman en een studiegenoot, die daarna muziekdocent is geworden. Wim Witteman heeft mij later in mijn carrière ook nog vaak gecoacht.” Bakkers eerste ervaring met opera was tijdens zijn studie in 1959 als één van de beursheren in de wereldpremière van de opera ‘De Zwarte Bruid’ van Géza Frid ter gelegenheid van de Boekenweek in de Stadsschouwburg van Amsterdam. “Acteurs als Willem Nijholt, Petra Laseur, Jules Hamel, Bram van der Vlugt, Jacques Commandeur en Guido de Moor werkten mee en zo kwam ik in aanraking met de toneelwereld, die toch veel losser was dan de operawereld,” herinnert Bakker zich. Daarna kwam met ‘My Fair Lady’ de volgende kans om op het toneel te staan. “Hierin kregen Jennie Veeninga en ik al rollen aangeboden en konden wij ervaring opdoen. Ik stond altijd in coulissen te kijken naar Wim Sonneveld en Johan Kaart – twee mensen uit verschillende disciplines van het theatervak – en te kijken en te luisteren hoe zij met het publiek omgingen.”

De Nederlandse Operastichting en Opera Studio

Vervolgens werd Marco Bakker toegelaten tot de Operaklas van het Amsterdams Conservatorium onder leiding van Hans Lichtenstein. Tijdens deze operaklas maakte Bakker op 16 juni 1965 zijn debuut als de Student in de wereldpremière van de opera ‘De Droom’ van de Nederlandse componist Ton de Leeuw tijdens het Holland Festival. Naast Bakker waren daarin ook de Nederlandse zangeressen Mimi Aarden en Sophia van Sante te horen. In 1966 kwam hij voor twee jaar bij de Opera Studio van De Nederlandse Operastichting samen met onder anderen Nelly Morpurgo, Meinard Kraak, Ans Philippo en Simon van der Geest. Daar zong Bakker in ‘The Medium’ van Menotti, ‘The Rape of Lucrezia’ van Britten, de wereldpremière van ‘Chambre Séparée’ van Temple Abady en ‘L’Elisir d’Amore’ van Donizetti. En in de tussentijd zong hij al bijrollen in het eerste seizoen 1965 / 1966 van De Nederlandse Operastichting. “De leiders van De Nederlandse Operastichting en de Opera Studio Maurice Huisman en Jaap den Daas hebben Nederlandse zangers veel kansen gegeven en daar ben ik ze nog steeds zeer dankbaar voor.”

Concoursen

Daarna ging Marco Bakker les nemen bij de alt Eva Liebenberg in Hilversum, vervolgens bij de tenor Philip Terke en later bij Lucy Frateur in Antwerpen, Hans Hotter in München, Otakar Kraus in Glyndebourne en tenslotte nog bij James McCray in Den Haag. “Coby Riemersma vond het belangrijk dat ik mijn spectrum ging verbreden en naar andere docenten zou gaan. De ene docent hielp met de ademsteun, de andere met de plaatsing van de tong en weer een andere met de hoogte.” In 1966 was Bakker prijswinnaar bij het Internationale Vocalisten Concours van ’s-Hertogenbosch. “Daardoor kreeg ik veel publiciteit en ook recitals aangeboden. Verder was ik in 1967 nog eerste prijswinnaar bij concoursen in Rio de Janeiro en tweede prijswinnaar in München. In München werd ik nog een tijdje gecoacht door de pianist Irwin Cage, die de prijswinnares bij de dames Jessye Norman begeleidde. Door München kwam ik overigens in contact met de impresario Pieter Alferink, die veel voor mij heeft betekend in het sturen van mijn carrière.”

Grote rollen

Vervolgens kwamen de grote rollen. Bij het Holland Festival van 1967 zong Marco Bakker de titelrol in ‘Orfeo’ van Monteverdi onder leiding van Bruno Maderna naast Pieter van den Berg, Wilma Driessen en Sophia van Sante. Bakker zong bij De Nederlandse Operastichting in 1968 hoofdrollen als dr. Falke in ‘Die Fledermaus’ van Johan Strauss jr. en Papageno in ‘Die Zauberflöte’ van Mozart. In 1969 zong hij bij De Nederlandse Operastichting in ‘Giulio Cesare’ van Händel naast Aafje Heijnis en Pieter van den Berg. “Ik alterneerde in de titelrol met Barry McDaniel, die altijd zenuwachtig was voor de aria “Aure, deh per pietà”. En inderdaad vergiste hij zich op de première bij deze strofische aria en dirigent Paul Hupperts sloeg af. De hele nacht heb ik aan die aria zitten denken en de volgende dag gebeurde mij door de zenuwen precies hetzelfde op dezelfde plek. Daarna heb ik een aantal jaren yoga gedaan om de zenuwen in balans te brengen, wat goed geholpen heeft.” Bakker opende verder bij De Nederlandse Operastichting het seizoen 1970 / 1971 als Papageno in ‘Die Zauberflöte’ in een nieuwe regie van Jan Bouws naast Pieter van den Berg als Sarastro en Hanneke van Bork als Pamina. Later in dat seizoen zong hij bij het gezelschap nog de titelrol in ‘Le Nozze di Figaro’, eveneens in een nieuwe regie van Jan Bouws. Gerry de Groot zong de Gravin, Peter van der Bilt was de Graaf en Tatiana Troyanos was Cherubino. Bakker opende bij De Nederlandse Operastichting het seizoen 1971 / 1972 als Littore in ‘L’Incoronazione di Poppea’ van Monteverdi naast Pieter van den Berg als Seneca en Nelly Morpurgo als Damigella.

Internationale carrière

Begin jaren zeventig trad Marco Bakker ook veel op in Groot-Brittannië. Bij het Wexford Festival zong hij in 1971 de rol van Zurga in ‘Les Pêcheurs de Perles’ van Bizet en in 1972 de rol van Ernesto in ‘Il Pirata’ van Bellini. Daarna werd hij door de Scottish Opera in Glasgow in 1973 gevraagd voor de rol van graaf Danilo in ‘Die lustige Witwe’ van Lehár. “De Britse koningin Elisabeth en prins Philip waren daarbij aanwezig en ik werd ook aan hen voorgesteld. Philip zei dat hem een “slight American accent” was opgevallen, waarschijnlijk vanwege het feit dat Patricia Madden destijds mijn echtgenote was. Hij was alleraardigst en vooral erg gecharmeerd van de koordames,” lacht Bakker. In 1974 vertolkte de bariton in het prestigieuze Glyndebourne Festival in Zuid Engeland de rol van Robert Storch in de opera ‘Intermezzo’ van Richard Strauss in het Engels. De rol van Christine werd gezongen door de Zweedse sopraan Elisabeth Söderström. “Elisabeth Söderström was een mooie en super intelligente vrouw. Ze arriveerde een week voor de repetities en was nerveus, omdat ze de rol nog niet kende. Maar bij het begin van de repetities kende ze alles uit het hoofd! En bij de première zat zij voor de opvoering haar nagels te lakken. Het was voor haar de enige manier om te ontspannen. In 1981 zouden wij elkaar weer zien bij De Nederlandse Operastichting en zongen samen opnieuw in ‘Intermezzo’.” In Gyndebourne nam Bakker ook les bij de Tsjechische en later Britse bariton Otakar Kraus, bij wie ook bassen als Gwynne Howell, Robert Lloyd, John Tomlinson en Willard White les hadden. “Later in 1974 kreeg ik bij de Glyndebourne Touring Opera de titelrol in ‘Jevgeni Onjegin’ van Tchaikovski aangeboden. De Schotse sopraan Linda Esther Gray was Tatjana en de Engelse tenor Anthony Rolfe Johnson zong Lenski. We zongen in het Russisch en voor de talencoach ging ik naar Romanov, een afstammeling van de oude Russische tsarenfamilie. Na de voorstelling in Manchester kwam de Russische ambassadeur in Groot-Brittannië naar mij toe en maakte mij erop attent dat ik in het accent van Leningrad zong, terwijl de anderen met het accent van Moskou zongen. Ik had me niet gerealiseerd, dat Romanov – de tsaren hadden natuurlijk hun hof in Leningrad / St. Petersburg gehad en niet in Moskou – mij het accent van Leningrad had aangeleerd!”

Oratorium, operette, televisie

Behalve operazanger is Marco Bakker ook oratorium- en concertzanger. Zo zong hij meer dan 300 maal de Christuspartij in de ‘Matthäus-Passion’ van Bach. “In 1971 zong ik de partij met het Berliner Philharmoniker in Die Pilharmonie en de Gedächtniskirche in Berlijn. Daarna werd ik door het orkest uitgenodigd voor een grote concerttournee in 1973 door de Verenigde Staten met 18 concerten in 24 dagen als solist in de ‘Hohe Messe’ van Bach en ‘Die Schöpfung’ van Haydn. Het hoogtepunt was een opvoering in het Carnegie Hall in New York.” Behalve opera en oratorium zingt Marco Bakker ook in operettes. Internationaal werd hij daarin vooral bekend vanwege zijn rol van Graaf Danilo in ‘Die lustige Witwe’ van Lehár. Hij vertolkte de partij in talloze steden, waaronder behalve in Glasgow ook Wenen, Berlijn, Zürich, Mannheim en Antwerpen. Ook werkte hij mee aan de jaarlijkse Nieuwjaarsconcerten, zoals ‘Ein Abend in Wien’ en ‘Wien bleibt Wien’. Daarnaast werd Bakker in Nederland bij het grote publiek bekend door de televisieshows, eerst bij de NCRV, later bij de Tros. “Zes shows per jaar namen we op, soms in co-productie met buitenlandse zenders. Het waren dure shows met veel gasten uit de operawereld. Het ging tussen m’n optredens in opera’s en operettes door en het nam allemaal erg veel tijd in beslag. Met de shows kon ik opera aan een groot publiek presenteren.” Verder bracht Bakker meer dan 90 platen en CD’s uit, waaronder één platina plaat en vier gouden platen. In 2006 volgde een serie optredens met collega’s Henk Poort en Ernst Daniel Smid als “De 3 Baritons”. Daarna maakte het trio opnieuw een theatertournee door heel Nederland, die in december 2009 van start ging en na circa 30 voorstellingen afgesloten werd in Koninklijk Theater Carré in maart 2010. “Vanwege het enorme succes gaan we in het najaar 2013 door met optredens in het theater. Van dit programma met Iers repertoire wordt op locatie in Ierland een TV-special opgenomen en op DVD en CD uitgebracht.”

Veelzijdig

Als je zijn loopbaan beschouwt, valt de enorme veelzijdigheid van Marco Bakker op. “Als je zoveel kanten van het vak doet, krijg je wel een bepaald image, waardoor je je elke keer toch opnieuw moet bewijzen. Als je opera, operette, oratorium en musical wilt doen, wordt natuurlijk van je verwacht dat je in elk genre goed bent. En dan lig je bij publiek en critici onder een vergrootglas en wordt de lat erg hoog gelegd. Ik sprak wel eens buitenlandse collega’s als Hermann Prey en Anneliese Rothenberger, die in hun land tegen hetzelfde fenomeen aanliepen.” De Nederlandse bariton heeft nog veel plannen. “Ik ben gevraagd de hoofdrol te spelen in Berlijn in een musical over Johannes Heesters, die op dit moment geschreven wordt. Maar pas als ik volledig inzicht heb in zijn doen en laten tijdens de oorlog besluit ik of ik het ga doen of niet,” zegt Bakker enigszins lichtgelovig. Bij Opera Zuid is Marco Bakker te horen in twee operaproducties. Zo zong hij in dit seizoen 2012 / 2013 de rol van Le Comte des Grieux in ‘Manon’ van Massenet en staat voor het volgende seizoen nog de partij van Germont in ‘La Traviata’ op het programma. “Ik heb altijd gezegd, dat ik blijf zingen zolang ik het fysiek aankan, ik het leuk vind en het publiek blijft komen. Als één van deze aspecten wegvalt, dan hou ik ermee op. En tot nu toe is dat nog niet het geval.”

Home, Reportage